Maria Sybilla Merian (1647- 1717): schoonheid in het kleine

Door Josiane Tytens in Kerkbrief, Gent Centrum

 

Maria Sybilla werd in 1647 in Frankfurt (D) geboren uit het tweede huwelijk van de bekende drukker-graveur Matthäus de Oudere en Johanna Heym (dochter van de dominee van een Waalse Calvinistische gemeente in Nederland). Ze kwam terecht in een respectabel, burgerlijk milieu en werd Luthers gedoopt. Haar vader stierf in 1650 en haar jonge moeder hertrouwde een jaar later met de Nederlandse schilder van stillevens Jacob Marrel, die verbleef in Frankenthal, een Vlaamse kunstenaarsenclave ten zuiden van Frankfurt, waar veel uitgeweken protestanten uit de Nederlanden woonden. Maria raakte al vroeg geïnteresseerd in de ‘wonderen van de natuur’, vooral insecten, rupsen, vliegen, muggen, spinnen. Haar stiefvader stimuleerde de getalenteerde Maria om te schilderen en overtuigde zijn vrouw dat het de moeite waard was Maria Sybilla in een atelier op te leiden.

 

Op 18-jarige leeftijd huwde Maria met architectuurschilder en stadstopograaf Johannes Graff. Ze kregen twee dochters, Johanna en Dorothea, met 10 jaar leeftijdsverschil. De buitengewoon veelzijdige Merian maakte, naast het lesgeven in het schilderen van bloemen aan jonge dames uit de kringen van de hogere burgerij en adel, schilderijtjes met waterverf op perkament (olieverf was alleen toegestaan voor mannen) en beschilderde linnen en zijde met bloemen- en kruidenpigmenten.

God eren door de wonderen van de natuur

In 1679 bracht ze haar eerste rupsenboek uit (er zouden er nog 2 volgen), met als inleiding ‘de wonderbaarlijke verandering en hun eigenaardige bloemenvoedsel. Dankzij een nieuwe uitvinding (microscoop) worden rupsen, larven, dagvlinders, nachtvlinders, vliegen en dergelijke andere diertjes grondig onderzocht. Oorsprong, voeding en verandering met tijd, plaats en eigenschappen worden hierbij betrokken ten dienste van natuurkenners, schilders en tuinliefhebbers om God te eren, Die zich net in het nietigste en onaanzienlijkste geopenbaard heeft’. Later zou blijken dat zij een nieuwe manier van vormgeven had gecreëerd – combinatie van kunst en wetenschap – namelijk de verschillende stadia in de metamorfose van rups naar vlinder (symbool van de opstanding) in combinatie met hun voornaamste voedselplant. Dit boek werd de opstap naar meer onderzoek, meer publicaties en internationale roem.

In 1686, na jarenlange huwelijksconflicten trad Maria, met haar dochters en moeder, toe tot de religieuze, piëtistische beweging van de Labadisten*, gevestigd in het Friese Wieuwerd. Haar halfbroer Casper maakte er reeds acht jaar deel van uit. Bij de labadisten was wetenschap – in tegenstelling tot kunst – niet taboe als deze in functie van het geloof beoefend werd.

Het aantrekkelijke van een labadistische gemeente was voor velen dat er openlijk kon worden gediscussieerd (over de juiste interpretatie van Bijbelteksten, zelfverloochening, afkeer van de wereld, strijd tegen de zonde….), de vrouwen er niet als onbevoegd werden beschouwd en niet-gestudeerden recht van spreken hadden. Maar het leven was er ook hard, een eigen wil werd onderdrukt, de kamers waren koud, versieringen waren verboden, leden moesten afstand doen van hun bezittingen en elk kreeg een werktaak toegewezen. Van elk lid werd verwacht dat hij/zij de leer zou verspreiden waarvan de leerstelsels in de drukkerij op het domein Walta-state gedrukt werden.

Door wanbeleid en ondeskundigheid raakte de gemeenschap in 1691 in problemen (werd ontbonden in 1732). Maria vertrok met haar dochters naar Amsterdam (haar moeder en halfbroer waren inmiddels overleden), waar ze een familiebedrijf (een Merian-atelier) oprichtte, dat zich toelegde op Florilegiums nl. het nauwkeurig afbeelden van de bol, knol en wortel van een plant met aandacht voor het kleinste detail. Aan de miniaturisten werd om beeldmateriaal verzocht door onderzoekers, verzamelaars en kunstenaars.

Op zoek naar een nieuwe wereld

In 1692 huwde dochter Johanna met de labadistische Jacob Herolt, die handelsbetrekkingen met Paramaribo onderhield. Via haar schoonzoon en haar verblijf in Wieuwerd had Maria veel gehoord over de labadistische volksplantage La Providence (een Nieuw Jeruzalem) in Suriname, ver van de bewoonde wereld. Ze wilde de eerste zijn om er onbekende planten en insecten te bestuderen en verbleef er van augustus 1699 tot juni 1701 samen met haar dochter Dorothea. De last die Maria had van het klimaat ter plaatse en de dreigende oorlog tussen Frankrijk, Engeland en de Republiek verhaastten hun terugkeer. Daardoor had ze niet die bequame geleegentheit om de voorgenomen proeven te doen, en moest ze alle materiaal in kisten laten nasturen. Ze nam ook een indiaanse vrouw met inheemse kennis van flora en fauna mee naar Amsterdam (op de passagierslijst: Maria Sibilla Merian, haer dogter en Indianin). In haar latere Surinaamse insectenboek Metamporhosis Insectorum Surinamensium, uitgegeven in 1707, vielen de betoverende en exotische uitstraling en kleuren op.

Vóór haar vertrek naar Suriname had Maria haar testament laten opstellen ‘in den jaere van der geboorte onses Heeren ende Saligmakers Jesu Christi diuijsent seshondert negenentnengentigh … Eerst bevelende haere Zielen in de onbegrijpelijke barmhertighhijt Gods en de haere doode lichame de Christelijke begravinge ter saliger opstandinge heeft sij…’ waarin vastgelegd werd dat haar dochters haar nalatenschap zouden erven.

Dochter Dorothea huwde in 1702 met Philip Hendricks, chirurgijn op de VOC-schepen naar Oost-Indië. Van zijn reizen nam hij allerlei naturalia mee voor Maria zoals reptielen en amfibieën. In 1711 vertrok de oudste dochter Johanna voorgoed naar Paramaribo, Hendrik kreeg er een vaste betrekking als rector van een weeshuis.

In 1714 werd Maria door een beroerte getroffen en kon niet meer werken, vermoedelijk had ze ook malaria opgelopen in Suriname. In 1717 overleed ze in haar woning te Amsterdam. Haar dochters zetten haar werk verder. Hoewel ze alle drie miniaturen schilderden, bleek het werk van Maria Sybilla verfijnder en met vloeiender kleurovergangen te zijn.

Een erfenis die wetenschap en kunst verbindt

De befaamde Zweedse arts en natuurkundige Carl Linnaeus (1707-1778) ontwikkelde in 1734 de uiteindelijke binaire nomenclatuur van de planten: de geslachtsnaam in het latijn, gevolgd door de soortnaam. Een methode die nog steeds wordt gebruikt. In zijn 10e editie van Sytema Naturae (1758) verwijst hij bij 100 soorten naar illustraties van Merian.

De grootheid van Maria Sybilla Merians werk ligt in de combinatie van kunst en vernieuwende wetenschap, waardoor haar werken te vinden zijn in alle grote musea (Amsterdam, Groningen, Leiden, Berlijn, Frankfurt, Braunschweig, Cambridge, Londen, Parijs, Frankfurt), met speciale vermelding van de Library of Academy of Science in Sint-Petersburg (werken aangekocht in opdracht van tsaar Peter de Grote) en The Royal Collection in Windsor Castle. Ze mocht dus ook niet ontbreken op de tentoonstelling Onvergetelijk in het MSK te Gent.

*Jean de Labadie was een Franse jezuiet, die na zijn bekering tot het Calvinisme voorganger werd van de Waalse gemeente in Middelburg. Na verzet van de kerkenraad tegen zijn opvattingen over het christendom (nadruk op zuiverheid van de kerk, op volmaakte christelijke geloofsgemeenschappen) vertrok hij naar Amsterdam en startte er een conventikel, wat volgens de gereformeerde predikanten sektarisch was. Uiteindelijk vestigde de afgescheurde gemeenschap zich in Wieuwerd.

Eigen foto’s uit het boek: Maria Sibylla Merian & dochters – vrouwenlevens tussen kunst en wetenschap – Ella Reitsma en op de tentoonstelling.

 

arrow